Stiense Boon
The Stiense bean is an edible bean, but it is not commonly known as an edible bean in the Netherlands because it was used mainly to shield other plants from the wind, including other vining bean varieties such as string beans and runner beans, and other crops such as tobacco and gherkins. Some beans are very decorative (hence their name in Dutch pronkboon, meaning “fancy bean”) and have beautiful flowers, often deep red, sometimes light red, pink or white in color. They are a pretty sight in the garden, and a lovely contrast to the usual white-flowering varieties of beans.
The Stiense bean, with its red flowers, is an old type of bean that still has strings in the pods, but should be harvested and eaten young before the string gets tough; otherwise, it must be removed before cooking. Once fully mature, only the beans are eaten, not the pods. These beans are used in the same way as runner beans, but they have a more pronounced flavor. They may be eaten fresh or dried and soaked again before cooking. Other names for the Stiense bean: Stinse bean, Steense bean, Stichtse bean, East Indian bean, kroostor, tobacco bean, Piet Hein bean, and Amerongen bean.
The Stiense beans found in the Netherlands today all descended from one of three different collections: one from the Heritage Garden in Aalsmeer; one through the German IPK Gene Bank in Gatersleben, which was deposited there in 1980 from Oude Wetering (presumably South Holland); and one from the Eeuwig Moes Network collection of the Primal Field Foundation (De Oerakker), believed to have originated in South Holland. Beans from the first and third collections tend to have purple beans with black spots around they eye, and those from the second collection are slightly ruddier or lighter brown beans with black spots.
In the windy region of South Holland where much tobacco was grown, fancy beans were used as windbreaks in the fields as early as 1615. The peaty soil and the proximity of the North Sea made it possible to grow the subtropical tobacco as that reduced the risk freezing at night. But the leaves of the tobacco plant are also extremely sensitive to wind, so farmers placed rows of fencing around the square tobacco fields in winter. Stiense beans were planted against the fences in late April. It was only these fancy beans that could be planted so early and grow so well in cold weather. The result was a wall of beans that protected the delicate tobacco crop. Tobacco pickers were allowed to pick the ripened beans and lay them out on the floor of the drying rooms. The workers usually ate their Stiense beans with apples and smoked bacon.
In 1696, Abraham Munting wrote of the Stiense, or Piet Hein, bean in his book “An accurate description of crops” (Nauwkeurige beschrijvingen der aardgewassen), “And Phaseolus americanus niger flore phoeniceo or black American bean with a fiery red color that is quite attractive to the eye and named by many the Piet Hein bean, because Admiral Piet Hein – who captured the Spanish silver fleet in 1628 – first brought it from America to this country. All from the same cultivar.” It is also possible that Stiense is a corruption of the Dutch word for West Indian, Westindisch, whereby the first letters are not enunciated and phonetically reduced to Stinse, after which it eventually became Stiense. The fancy beans were used by tobacco growers from as early as 1615 to protect their crops, but this was during the twelve year truce of 1609 to 1621 during which the Netherlands agreed not to trade with South America but still did so illegally. It is even conceivable that the Dutch intentionally called them Stiense beans to disguise their origins from the Spanish, and that once the peace treaty had been signed, the name stuck.
While they can still be found on the market in various parts of the Netherlands, especially North Holland and South Holland, the Stiense bean has declined in popularity due to the availability of other varieties that are easier for farmers to grow and for consumers to prepare and that can be purchased for lower prices.
Back to the archive >De Stiense bonen die in Nederland aanwezig zijn, zijn nakomelingen van drie collecties, een uit de Historische Tuin in Aalsmeer, de tweede via de Duitse IPK Genenbank in Gatersleben, deze is daar uit Oude Wetering (vermoedelijk Zuid-Holland) in 1980 gekomen; en de derde via de collectie Eeuwig Moes (De Oerakker), hierin zitten door Ruurd Walrecht verzamelde Stiense bonen die volgens hem uit Zuid-Holland afkomstig zijn. De eerste en de derde vorm hebben paarse zaden met de zwarte stiptekening geconcentreerd rond de navel, de tweede meer rossige zaden met een lichte stiptekening en wat meer bruinrossige zaden met zwarte vlekjes.
De Pronkboon (Phaseolus coccineus var. coccineus (L.)) komt oorspronkelijk uit de koude, mistige berggebieden van Mexico en werd door de Azteken reeds geteeld. Het is de minst koudegevoelige boon. In het winderige Zuid-Holland werd tabaksteelt bedreven. Zeker is dat pronkbonen al sinds 1615 werden gebruikt als windsingel rond de tabaksvelden; rond 1615 ontstond de tabaksteelt rondom Amersfoort, in Veere al rond 1610. De Zuid-Hollandse veengrond was er ook goed voor en de nabijheid van de Noordzee verkleint het nachtvorstgevaar van de vorstgevoelige subtropische tabak. Tabak heeft heel grote windgevoelige bladeren. Om de vierkante tabaksakkers plaatste men in de winter een dichte rij rijshout (o.a. wilgentakken). Eind april zaaide men daar tegenaan de Stiense bonen. Alleen een pronkboon kan men zo vroeg zaaien en groeit met koud weer mooi door. Men verkreeg zo een muur van pronkbonen die de gevoelige tabaksplanten beschermden. Tabaksarbeiders mochten de rijpe peulen plukken en de bonen werden op de vloer in de drogerij dan ook nagedroogd. Deze arbeiders aten de Stiense bonen vaak met appeltjes (‘Zoete Veentjes’) en gerookt spek.
De Stiense boon is een roodbloeiende pronkboon van het oude type, d.w.z. met draad in de peulen. De stengeltop maakt een cirkelomtrek in een uur en 57 minuten en gaat van het westen naar het zuiden, dus is linkswindend (er bestaan ook rechtsdraaiende varianten). De pronkboon kan evenals de snijboon gesneden gegeten. Het begin en het eind van de peul worden niet gebruikt. De pronkboon heeft een meer uitgesproken smaak dan de snijboon. De peul is groen en 25-29 cm lang. Pronkbonen moeten jong gegeten worden, omdat zich anders op de rugnaad van de peul een draad gaat vormen. Vroeger werd bij het klaarmaken de draad van de peul getrokken. Er is ook een ras dat geen draad vormt. Van rijpe peulen kunnen alleen nog de zaden oftewel bonen gegeten worden. De zaden kunnen zowel vers als gedroogd en daarna weer geweekt gegeten worden. In Nederland worden ze dan 'scheiers' genoemd.
Mogelijke synoniemen voor de Stiense Boon: Stinse Boon, Steense Boon, Stichtse Boon, Oost-Indische Boon, Kroostor, Tabaksboon, Piet Hein Boon, Amerongse Boon (rondom Amerongen bestond een bloeiende tabaksteelt).
Geschiedenis van het product
In 1696 schreef Abraham Munting in zijn boek Nauwkeurige beschrijvingen der aardgewassen het volgende over de Piet Hein boon: “En Phaseolus americanus niger flore phoeniceo of zwarte Amerikaanse boon met een als brandende mooie rode kleur die het oog zeer bevallig is en die van velen Piet Heins bonen genoemd wordt, omdat de admiraal Piet Hein die in 1628 de Spaanse zilvervloot genomen heeft die eerst uit Amerika in deze landen bracht. Alle van dezelfde cultuur.” Deze boon vertoont qua beschrijving veel overeenkomst met de Kollumer zwarte pronkboon, die nog door De Wouden verhandeld wordt. De familie Kunnen in Ureterp (Friesland) is de laatste die deze pronkboon nog teelt. Deze boon lijkt sprekend op de Mexicaanse ayocote boon.
Niet ongeheel denkbaar is dan ook dat Stiense een verbastering niet van Oostindische is maar van Westindische (‘Stindische, waarbij de W en E worden ingeslikt) wordt dan Stinse en vervolgens Stiense. Punt is namelijk dat bekend is (zie hiervoor) dat pronkbonen bij de tabaksteelt vanaf 1615 gehouden werden. Echter, dit was tijdens het 12-jarig bestand (1609-1621), Nederland mocht toen geen handel onderhouden met Zuid-Amerika, maar deed dat illegaal wel via tussenhandel. Nog verder doorgevoerd is het niet geheel ondenkbaar dat de Nederlanders deze bonen Stiense bonen noemden om voor de Spanjaarden te verbloemen waar ze vandaan kwamen, en dat na de getekende vrede deze benaming werd aangehouden. De herkomst van deze bonen mocht namelijk niet bekend worden en werd nergens opgeschreven.
De Stiense bonen zijn dan door handelaren en later eventueel door de West-Indische Compagnie (WIC, opgericht in 1621) meegebracht uit Zuid-Amerika (West-Indië). Een mogelijkheid zou zijn dat deze bonen als onderdeel van de Zilvervloot terecht gekomen zijn bij koning Willem III (1650-1702), die met zijn vrouw Mary van tuinieren hield en bij Honselersdijk in Zuid-Holland een groot jachtslot met moestuin onderhield.
Vanuit Honselersdijk kunnen zowel de Piet Hein boon als andere Stiense bonen of pronkbonen bij de tabakstelers in Oude Wetering en andere dorpen terecht zijn gekomen (een afstand van nog geen 40 km). Via Mary zouden de bonen in het Angelsaksische gebied terecht zijn gekomen en de naam Dutch case-knife beans en vervolgens runner beans (White Dutch runner) gekregen hebben. De Engelsen hadden namelijk helemaal geen Zuid-Amerikaanse kolonies en via Engeland zijn deze bonen evenals de kalkoen teruggebracht naar Noord-Amerika.
Verrassend is dat deze van oorsprong sierbonen een lekkere smaak hebben en kleurvast zijn.


