Segale di San Giovanni

Torna all'archivio >

Non esistono molte varietà di segale. Nell’Europa occidentale una varietà molto importante era quella di San Giovanni, fino a quando all’inizio del XIX secolo non fu soppiantata da altre varietà, soprattutto dalla segale Petrusker proveniente dalla Germania e, più tardi, dalle varietà ibride.Nei Paesi Bassi, erano diffuse solo tre varietà: la piccola Veluwe kruiprogge (segale rampicante di Veluwe), la langstrorogge (segale allungata) che cresce nei terreni sabbiosi e la Johannisroggen (segale di San Giovanni), che può raggiungere i due metri di altezza ed era coltivata sui terreni adatti di tutte le province olandesi.Nel 2000 la segale di San Giovanni era completamente scomparsa, ma il suo declino potrebbe risalire anche al decennio prima. In passato la segale di San Giovanni era usata, macinata in farina, per preparare il pane: i chicchi interi erano utilizzati per produrre un pane molto scuro, quasi nero, come il roggebrood, cotto per 8-24 ore, o il ontbijtkoek, un pane da colazione preparato con l’aggiunta di spezie, come il pane allo zenzero. Nel 2010 è stato realizzato anche un primo tentativo di produzione di birra a partire da questo cereale. Oggi solo due ettari sono coltivati con questa varietà, in due siti nelle province di Overijssel e Noord-Brabant e cinque mulini sono ancora in funzione nell’area. Solo Ruurd Walrecht ha continuato a coltivare questa varietà nella sua fondazione Oerakker, negli speciali appezzamenti in cui colleziona diverse colture, isolandola dalle altre varietà di segale. Nemmeno l’Università di Agraria di Wageningen infatti era riuscita a conservare il genoma puro di questa varietà nella sua banca genetica e la versione olandese della segale di San Giovanni non compariva neanche nell’importante banca genetica di Gatersleben (Germania). Vista la sua statura, questo cereale ha un sistema di radici molto ramificato e presenta quindi una maggiore autonomia dall’irrigazione artificiale e dai fertilizzanti. Allo stesso tempo, la sua altezza rende l’utilizzo delle macchine trebbiatrici molto difficile. A causa dell’utilizzo di pesticidi negli appezzamenti coltivati con i cereali moderni, invece, tutto l’ecosistema legato alla segale è scomparso: alcuni roditori, per esempio, le quaglie, i re di quaglia (Crex crex), alcuni uccelli rapaci, alcuni insetti come cavallette, farfalle e falene, e diversi fiori come il rarissimo giglio rosso (Lilium bulbiferum var. croceum). Un tempo, gli steli erano utilizzati per la fabbricazione di mobilio, di tessuti e come materiale isolante. La segale di San Giovanni era utilizzata anche nell’allevamento ovino: dopo la raccolta, gli steli non erano completamente rasati; gli agricoltori li lasciavano crescere ed erano poi mangiati dalle pecore tra l’autunno e l’inverno. Questa segale ha preso il nome di San Giovanni perché secondo la tradizione doveva essere seminata prima del 24 giugno, giorno di San Giovanni, appunto, appena tre giorni dopo l’inizio dell’estate. Se non fosse stata seminata entro questa data – si diceva – a settembre non sarebbe stata pronta per la raccolta. In alcuni casi la segale di San Giovanni era coltivata senza rotazione anche per sei o sette anni consecutivi. Si diceva anche che questa segale si poteva seminare nei campi in cui erano appena stati raccolti altri cereali, perché non esaurisce la fertilità dei terreni, da cui il nome un tempo diffuso di segale eterna o cereale eterno, che potrebbe però fare riferimento anche alla sua resistenza ad alcuni vermi nematodi del suolo. Si pensa che questa segale sviluppi una micorriza, una forma di simbiosi con un fungo. Per questo motivo avrebbe un basso impatto sulla fertilità del suolo, ma la documentazione sull’argomento e, più in generale, su questa varietà, è piuttosto scarsa. Foto: www.dehoevens.nl 

  • Hai imparato qualcosa di nuovo da questa pagina?
    Did you learn something new from this page?

  • Yes   No
Torna all'archivio >
Rogge is een kruisbestuiver, endaarmee een buitenbeentje in de wereld van de granen. Daardoor zijn er minder landrassen van rogge dan van andere, zelfbestuivende granen zoals tarwe en gerst.

Toch waren er wel op zich staande, verschillende typen bekend. Zo werd op de Veluwe gesproken over Kruiprogge, terwijl op de zuidelijke zandgronden gesproken werd over (Brabantse) langstrorogge. Daarnaast werd Sintjansrogge als afwijkend type onderscheiden. A. ter Haar schrijft daarover in deel 89 van de serie …. "Roggecultuur"(verschenen aan het begin van de twintigste eeuw) daarover onder meer het volgende: "…., evenals de Sintjansrogge die zeer sterk uitstoelt en, in Juli gezaaid, in den herfst een snede groenvoeder en het volgend jaar een graanoogst levert."

Sintjansrogge moet dus vroeg gezaaid worden en de praktijk was dan ook dat hij vaak al gezaaid werd in de stoppel, dus direct na de oogst die voor Sintjansrogge ongeveer half juli valt. Het is dus een gewas dat uitstekend was aangepast aan de z.g. eeuwige roggeteelt: het heeft minder behoefte aan vruchtwisseling dan bijvoorbeeld tarwe en haver. 
 
Dit oude gebruik van de eeuwige roggeteelt is lange tijd mede bepalend geweest voor een aantal graanakker(on-)kruiden, zoals Roggelelie en Korensla. Deze soorten zijn inmiddels zeer zeldzaam geworden door het verdwijnen van de teeltmethode. Door het vroege zaaimoment bloeit het vroeger dan andere roggevariëteiten en mede daardoor heeft Sintjansrogge zich mogelijk kunnen handhaven als afzonderlijk type. 
 
Ter Haar heeft het over “een snede groenvoeder”, maar tot in het begin van de vorige eeuw was het ook heel gewoon om het gewas te beweiden. Dat kon met (getuierde) koeien, maar vaak ook gebeurde dat ook, met wederzijds voordeel, door de herder met zijn schaapskudde. De schapen hadden er een goed en eiwitrijk voer aan in een periode dat er op de heide steeds minder te halen viel en de akker profiteerde van de schapenkeutels die achterbleven, maar vooral ook van de graasactiviteit zelf. Het sterke uitstoelen van de Sintjansrogge werd daardoor nog eens extra bevorderd. Dat betekende in het voorjaar per plant meer stengels, dus meer aren en dus een hogere opbrengst voor de boer. Dat begrazen van de rogge kon in het voorjaar wel doorgaan tot in april: pas vanaf het moment dat de bloeistengels zich beginnen te vormen werd het vee van de roggeakkers geweerd. Dit gebruik is onder andere in Drenthe en in Noord-Brabant goed gedocumenteerd in Middeleeuwse en latere reglementen en keuren.
 
Een veelzijdig gewas dus. Toch was het enige tientallen jaren geleden zo goed als verdwenen. Het is met name Ruurd Walrecht geweest die de Sintjansrogge heeft weten te behouden. En nu lijkt dit interessante gewas bezig aan een bescheiden come back. Zo zijn er boeren in Groningen die het verbouwen en het laten verwerken in een streekeigen ontbijtkoek, zijn er boeren in het IJsseldal die ermee experimenteren en wordt het op het landgoed De Hoevens in Noord-Brabant verbouwd ten behoeve van een speciaal Sintjansroggebier.
 
Omdat de oude graanrassen vaak langer zijn dan de moderne (sintjansrogge kan wel 2 m hoog worden) hebben zij een uitgebreider en meer ontwikkeld wortelgestel. Hierdoor zijn zij minder afhankelijk van (kunst-)mest en beregening. De extensieve graanteelt heeft een rijk akkerleven opgeleverd in de vorm van bloeiende kruiden, bijen, zweefvliegen, vlinders en andere nectarzuigende insecten, vogels (akkerleeuwerik, kwartel en kwartelkoning) en zoogdieren (hamster). Deze rijkdom is in de loop van de twintigste eeuw vrijwel geheel verdwenen.
 
Sintjansrogge is evenals de sintjansui (ook kandidaat voor opname in de Ark van de Smaak)vernoemd naar de heilige Johannes (Jan), die zijn sterfdag op 24 juni (3 dagen na het begin van de zomer) had. Sintjansrogge diende uiterlijk met die datum ingezaaid te worden, opdat het in september nog geoogst kon worden. Een ander bekend gezegde is: “Als de linde bloeit met St. Jan (wat meestal wel het geval is), dan is de rogge rijp met St. Jacob (25 juli).” Maar wat men ook wist: 'Als de koekoek roept na St. Jan, dan komt er duurte.' Ook Sint Jansrogge werd vroeger gezaaid en Sint Janskersen geplukt. Vruchtbomen en heggen moesten voor 24 juni gesnoeid worden. Kortom, als datumbepaling in land- en tuinbouw speelde Sint Jan een grote rol.

Territorio

NazioneOlanda
Regione

Noord-Brabant

Overijssel

Altre informazioni

Categorie

Cereali e farine