Morello Cherry

Back to the archive >

Schattenmorello, Northern Kriek

In the Netherlands there are many varieties of tall-stem cherry. Several of these have been grown for centuries on the banks of the Kromme Rijn or “Crooked Rhine” river. Other varieties were more popular in other regions such as the Betuwe, Brabant and Groningen. In some cases, they may have originated from other regions and countries, but have taken on specific characteristics because of the quality of the local soil.

Morello (sometimes called Schattenmorello or Northern Kriek) is the best-known sour cherry and has a harvest period later than all of the other cherry varieties. The sour cherry (Prunus cerasus) is a different species from the sweet cherry (Prunus avium). The sour cherry is a bush from the rose family (Rosaceae) originating in southern Europe and western Asia, and is not native to the Netherlands or Belgium. The bush can grow up to six meters here. In Belgium and the south of the Netherlands, it is often called "kriek" (known for the kriek-flavored beer, the Kriekenlambiek made from Schaerbeek cherries). The wood is weak and hangs toward the ground, giving the bush the appearance of a weeping willow. Morello cherries have a red to deep red color with red flesh and a pit. Its main characteristic is its flavor: the Morello is so sour that it can really only be eaten when it is perfectly ripe.

Mention of cherries and kriek can be found regularly in the 16th century bookkeeping for customs charges in cities such as Dordrecht and Brouwershaven. And in the golden age of the 17th century, the city of Amsterdam was supplied with “carssen ende kriecken”, or cherries and kriek, from Burgerdam and Utrecht in the Netherlands, and from Wesel and Emmerich in Germany. In 1602 a law was passed in Zierikzee forbidding the sale of “karssen, kriecken, morellen en diergelijcke” (cherries, kriek, Morello and the like) if they were rotting. Because of their sour taste, Morello’s are normally used for preservers or juice. The traditional boerenmeisjes (‘farm girls’ in Dutch) are Morello cherries preserved in brandy, sometimes with apricots or raspberries. They are also used as a basis for "kriekenbier".

Unfortunately, the number of cherry orchards with tall-stem trees is steadily declining.
Indeed, cherry growers are choosing increasingly for dwarfing half standard varieties that can be grown under plastic and that can be sprayed with chemicals, because the fruit from tall trees is more susceptible to weather conditions and to loss from birds, as well as being more difficult and expensive to harvest.

Along with the loss of chemicals-free cherry varieties that are flavorful and have designed beautiful landscapes, the traditional cherry harvest season intertwined with the local culture is also lost. Cherry season used to mean scaring away thieving starlings by rattling tin cans (called “heuen”) and entire villages gathering together to pick the cherries from tall ladders, often with the help of transient pickers who travelled the region from orchard to orchard.

  • Hai imparato qualcosa di nuovo da questa pagina?
    Did you learn something new from this page?

  • YesNo
Back to the archive >
Kersen - misschien wel het lekkerste Nederlandse fruit. Van juni tot en met augustus zo'n beetje is het kersentijd in Nederland. Veel oude en nieuwe hoog- en laagstamrassen volgen elkaar op in de oogstperiode, zodat we lang kunnen genieten van vers fruit uit onze directe omgeving. De Ark van de Smaak Commissie heeft tien hoogstam kersenrassen geselecteerd voor opname in de Ark van de Smaak. Het gaat om rassen die van oudsher in Nederland geteeld zijn en die opvallen door hun smaak, aroma, uiterlijk en toepassingsmogelijkheden.

Een aantal wordt al sinds eeuwen geteeld op de stroomruggen van de Kromme Rijn. Andere komen meer voor in andere regio’s als de Betuwe, Brabant en Groningen. Soms zijn ze oorspronkelijk afkomstig uit andere streken of landen, maar hebben ze door de specifieke kwaliteiten van de grond (terroir), zelf ook specifieke lokale kwaliteiten gekregen.

Het gaat om de volgende tien rassen (in volgorde van oogsttijd): 
 
Vroege Duitse of Vroege van Spithoven (middelgroot, donkerrood, vlezig, zoet)
Maaikers of Meikers (klein, donkerrood, zacht, rond, fris van smaak)
Variks Zwart (klein, zeer donker, zacht, zoet)
Mierlo's Zwart (klein, donker, zacht, zoet)
Westerleesche Kriek (middelgroot, helderrood, stevig, rins tot zuur)
Wijnkers (middelgroot, donker, glanzend, sappig, zoet)
Hedelfinger (groot, helderrood, stevig, zoetzuur)
Spekkers (klein, in veel kleuren van geel tot donker oranje, stevig, rins)
Inspecteur Löhnis (klein tot middelgroot, donker, langwerpig, stevig, zoet)
Morel (klein tot middelgroot, helderrood, steig, zuur)
 
Er zijn steeds minder kersenboomgaarden met hoogstamfruit. Hoogstamfruit is kwetsbaarder voor weersinvloeden en vraat door vogels en de pluk is moeilijk en kostbaar. Kersentelers gaan daarom steeds meer over op laagstamfruit, dat onder plastic geteeld kan worden, bespoten kan worden en makkelijker te plukken is. Met het verdwijnen van de boomgaarden met hoogstamkersen gaan onbespoten kersen met een meer intense smaak verloren, wordt landschappelijke schoonheid vervangen door homogene plastic kassen en verdwijnt een teeltmethode die met veel lokale cultuur omgeven was (gemengd bedrijf; het “heuen” = het verjagen van de spreeuwen met rammelende blikken; de seizoenspluk op lange ladders waar het hele dorp bij betrokken was en waar reizende plukkers voor langskwamen). 
 
In de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam kunt u de Nationale Kersenreeks zien, die bestaat uit het merendeel van bovengenoemde rassen. Zij laat zien van links naar rechts hoe acht rassen van vroeg tot laat elkaar opvolgen in bloei en vervolgens van vroeg tot laat rijpen. Heel wat anders dan de altijd even rode Griekse kersen in de supermarkt.

Morel
Morel (ofwel Schattenmorelle of Noordkriek) is de bekendste zure kers met een pluktijd na alle overige kersenrassen. Draagt onregelmatig, in draagjaren goed. Zelfbestuivend. De zure kers is van een andere soort dan de zoete kersen (Prunus avium) en behoort tot het geslacht Prunus cerasus. De zure kers (Prunus cerasus) is een struik uit de rozenfamilie (Rosaceae) afkomstig uit Zuidoost-Europa en West-Azië, die van nature niet in België en Nederland voorkomt. De soort wordt wel aangeplant in tuinen, of als leverancier van de kers voor consumptie. De struik wordt hier tot zes meter hoog. Andere namen zijn "morel", of in België en Zuid-Nederland "kriek" (bekend van het kriekenbier: kriekenlambiek uit Schaerbeekse krieken). Het hout is slap en hangt naar beneden. De boom krijgt treurwilgachtige trekjes.
Morellen zien er uit als gewone kersen, rood tot donkerrood van kleur met rood vruchtvlees en een pit. Het grote verschil is de smaak. De morel is zo zuur dat deze alleen als de kers echt helemaal rijp is, geschikt is om zo te eten. Morellen worden daarom vaak ingemaakt of verwerkt tot sap. Boerenmeisjes zijn morellen op brandewijn (of met abrikozen en of frambozen).
De vruchten van de zure kers barsten minder snel dan die van de zoete kers, ze worden minder gegeten door vogels en ook minder snel aangetast door de fruitvlieg. Ze zijn wel gevoelig voor moniliarot, bladziekten en virussen.
De zure kers is met armere grond tevreden dan de zoete kers.
De volgende citaten zijn uit het boek Kersen voor miljoenen: van boskriek tot bigarreau van de Belgische fruit- en groentekenner Herman Vandommele (1983).:
De morellen stammen af van de oerkers. De wilde zure kriek vormt de verbinding tussen de oerkers en de noorderkriek morellen. Al in het klassieke Griekenland kende men de Macedonica, mogelijk de voorvader van de vroege morellen of noorderkrieken. Het oorsprongsgebied van de kleine rode vruchten ligt waarschijnlijk rond de Kaspische Zee; mogelijk heeft Alexander de Grote daar de kersen en krieken vandaan gehaald. Ook de Romeinen kenden een kersencultuur. Zij hadden onder meer de Lutatia. Ook van dit ras wordt wel gesuggereerd dat het de voorvader kan zijn van de morellen of noorderkrieken.
Vooral dank zij de Romeinen en daarna kerstenende monniken vindt in de Romeinse tijd respectievelijk in de vroege Middeleeuwen verspreiding van kersen en morellen plaats.
Karel de Grote is groot promotor van de fruitteelt. Bij zijn paleis in Aken laat hij 1125 kersen aanplanten. Ook Benedictijnen hebben in hun abdijen het nodige aan kersen aangeplant. In de elfde eeuw worden morellen wel gebruikt als medicijn voor maagklachten. In de 13de eeuw komt men in de geschriften steeds vaker krieken en amarenen tegen. In de 16de eeuw komen kersen en krieken regelmatig voor in boekhoudingen van tolheffende steden als Dordrecht en Brouwershaven. In de gouden 17de eeuw wordt Amsterdam met “carssen ende kriecken” voorzien vanuit Burgerdam en Utrecht, maar ook vanuit Wesel en Emmerich. In 1602 geldt er in Zierikzee en verbod op het verkopen van “karssen, kriecken, morellen en diergelijcke” als die bedorven zijn.
A. Munting schrijft in 1696 in Kracht van de Aardgewassen over de heilzame werking van zure, rode morellen. De vruchten zelf geven goed bloed, wekken eetlust op, drijven de “fluimen” uit, doen t water lossen (= zijn vochtafdrijvend, in huidige termen) en nemen de hitte van de gal weg. De kernen (= pitten) doden de wormen en drijven het graveel af. De gom van morellen , mits met wijn ingenomen, verzachten de keel, geven een helder gelaat en zuivere huid en wekt eetlust op. Morellen waren de ”after eight” van de 17de eeuw. Morellen zouden na een maaltijd de maag doen samentrekken en verstoppen. “soo verdouwste te rasser en beter dan als se open is”. Morellen voor een betere spijsvertering, dus.
Tijd nu om in te zoemen op twee soorten: de “Echte Morel” en de Schattenmorelle
De geschiedenis van de “echte” morel meer specifiek belicht
Herman Vandommele ziet de morel als zure kriekestruik, die rechtstreeks erfgenaam is van de echte kriek, met zoals eerder gesuggereerd de buurt van de Kaspische Zee als vermoedelijk oorsprongsgebied. De Romeinen zouden de variëteit zure kriek gekend hebben onder de naam “Apronianum”. Het woord morel zou afgeleid zijn van Moren. Ofwel de Arabieren zouden de morel daadwerkelijk ingevoerd en verspreid hebben. Dat laat onverlet dat eerder de Romeinen de verspreiding voor hun rekening genomen zouden kunnen hebben. De Romeinen bezetten immers rond de jaarwisseling ook Noord-Afrika, het gebied dat later “Moors” werd!
In de Middeleeuwen zou het zure karakter van de vrucht benadrukt zijn in de naam “Agrota”. Daarin herkent u als u hoger in het Frans geschoold bent het woord aigre van vinaigrette; aigre is gewoon zuur op zijn Frans. Ook het woord Amère wordt toegevoegd in 1485. Amère = bitter (dit wordt later het woord amarene). Die bitterheid zou volgens sommigen refereren aan de bitterheid van de kruistochten. Tijdens één van de kruistochten zouden morellen uit Syrië zijn meegenomen, aldus een alternatieve veronderstelling over de herkomst van de morel.
In 1596 spreekt men over “Morelo Cherries” uit Frankrijk. In 1672 komt de term Morel voor in de ”Nederlandse Hovenier”. Daarin raadt men aan deze morellen in “Krieckerijen” te planten. Een geschrift uit 1737 beweert dat morellen niet gezaaid mogen worden, maar op boskriek geënt moeten worden. Diverse variëteiten passeren in de jaren en eeuwen daarna de revue in ons land. Guldemond, Rosenobel en Schimmelpenning in de tweede helft van de 18e eeuw. In de 19de eeuw zijn er Nonnenkers, Jeruzalemkers en Kardinaalskriek, alsmede Heidelberger, Duitse Pelswijkser en Dokterskers.
Tussen de wereldoorlogen zijn in België de Schaarbeekse Noordkriek en de Morille in opkomst. Ze worden gebruikt voor het kriekenbier. In Duitsland, bij Thüringen is er de Oberdorla.
In 1960 werd de Kelleris nr. 16 geïntroduceerd. Dit ras combineerde zware vruchten met een (toch) goede totaalopbrengst.
Herman Vandommele probeert de oorsprong van de Schattenmorelle terug te leiden naar een in 1590 beschreven zure kriek en een in 1816 genoemde, uit Milaan afkomstige Grosse Cerise à Ratafia. Via een Duitse monnik zou deze variëteit in Duitsland verspreid zijn. In het Rijnland sprak men van “Nordkirsche”. Een kriek waarvan de vrucht zo vast zat aan de steel dat men moeite moest doen hem er af te krijgen.
Herman Vandommele trekt de lijn door langs de Doppelte Schattenmorelle en de Lange Loth Kirsche.
De Schattenmorelle doet het ook in moderne tijden nog goed. Niet als vers consumptiefruit, maar als (hulp)grondstof voor jams en zuivelproducten.
Een variant is de Groningse Westerleesche kriek.

Other info

Categories

Fruit, nuts and fruit preserves

Nominated by:Peter Brul and Rene Zanderink for the Dutch Ark of Taste Commission