Blister Head Cattle

Back to the archive >
Blister Head Cattle

Grunneger Bloarkop, Groninger Blaarkop

The blaarkop, or bloarkop in the local dialect, whose name translates as “blister head,” is a unique, and originally Dutch, breed of cattle bred for the special qualities of its milk fat. It is a very robust breed that is well-suited to conditions in the Netherlands. They are ideal as a dual purpose breed since they can produce both good quality milk and meat under relatively meager conditions. The fatty acid structure is extraordinary, giving the meat and dairy products a complex and distinct flavor. The meat has a slight sour flavor. Leiden farm cheese, butter and buttermilk are traditionally produced from the milk of Blister Head cattle.

The Groningen blister head is one of the oldest Dutch breeds, dating back to the 14th century. Since the Middle Ages livestock have been depicted in paintings, including the red and black blister head cattle. The blister head is a small to medium-sized breed with a distinctive square head. The horns are generally small and curved. The coat is solid black or red with a white face, white belly and neck, and a white tip at the end of the tail. Around the eyes are black or red patches or “blisters” for which the animal is named. Its physical features make the blister head a joy to see in the Dutch landscape.

In the province of Groningen at the beginning of the 20th century, at least 50% of the total cattle were blister heads. Although breeders were originally mainly in Groningen, the animals were also often kept in the cap of North Holland, in South Holland in the area around Leiden and the Rhine region of Utrecht in order to provide the growing cities with butter, cheese and meat. For this reason, the taste of the blister head breed is associated with the quality of butter, cheese and meat that comes from the rich, clover-filled grasslands on thick (peat) clay soil. The distinctive fatty acid structure is probably the result of a combination of breed and grazing conditions.

More recently the breed has spread to the river regions in the provinces of Overijssel and Gelderland. The percentage of blister head among the total cattle population of the Netherlands has always been minimal, from about 5% in 1950 to just 1% in 1980. The Netherlands Center for Genetic Sources considers animals with at least an 87.5% blood purity to be purebred. By this definition, the blister head breeding stock in the mid-1970s consisted of approximately 20,000 purebred animals, with very few crossbred animals. By 2004, the number of purebred stock was just 1,321, a number that remained stable into the 2010s. The size of the purebred population for breeding stock continues to be a point of concern for saving the breed from disappearing.

There were approximately 3,000 (nearly) purebred female breeding animals in 2010, many kept on small-scale organic dairy farms. The continued existence of the blister head is tied to the small-scale farmers who maintain this robust native breed, who are threatened by the expected increase in milk production in the EU after the abolishment of milk quotas in 2015, making it more difficult to compete against industrial milk producers who use commercially-adapted dairy breeds. Without attention, the blister head cattle that is historically linked to the Dutch landscape may be lost.

  • Hai imparato qualcosa di nuovo da questa pagina?
    Did you learn something new from this page?

  • YesNo
Back to the archive >
Blaarkop uit het veenweidegebied/Groene Hart (Noord-en Zuid-Holland en Utrecht)
De Blaarkop is een dubbeldoel rund van het melk-vleestype. De bouw van het dier is stevig, solide en evenredig met een gepaste bespiering. De kop is gehoornd en de romp gewelfd. De kleur is egaal zwart of rood met een witte kop en een witte staartpunt. Rondom de ogen heeft het dier zwarte of rode blaren. Deze kunnen verbonden zijn met de hals, vaste blaren, of uitsluitend rond de ogen voorkomen, losse blaren. De onderkant van de buik is eveneens wit, oplopend tot de hals. De benen zijn liefst gekleurd met witte sokken tot de kogels, de voorbenen met wit op klauwspleet en in de kootholte. De Blaarkop heeft stevig droog beenwerk en goede harde klauwen, een goede uier en een hoog eiwitgehalte in de melk.

De Blaarkop is reeds lange tijd in Nederland een bekend rundertype, ze zijn al beschreven in de 14de eeuw. Vanaf de Middeleeuwen worden de dieren op schilderijen weergegeven, met zowel rode als zwarte blaarkoppen. Ook de witkop, zonder aftekeningen op de kop, kwam regelmatig voor. In de provincie Groningen bestond aan het begin van de 20ste eeuw de veestapel voor 90% uit blaarkoppen. Behalve in Groningen fokte men de dieren in Zuid-Holland rondom Leiden en de Rijnstreek van Utrecht. Sinds 1908 maken Blaarkoppen officieel deel uit van de drie Nederlandse rundveerassen (zwartbont Fries-Hollands, roodbont Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) en Blaarkop) die onder het Nederlands Rundvee Syndicaat vallen.
Het ras blijkt bijzonder geschikt te zijn voor de biologische melkveehouderij vanwege zijn soberheid en duurzaamheid. In 2007 waren er ongeveer 2300 zuivere vrouwelijke fokdieren. De gemiddelde melkproductie is 6.166 kilo melk, met 4,38% vet en 3,57% eiwit.
 
Onlangs besloten zeven blaarkopfokkers uit Bodegraven, Zevenhoven, Zoeterwoude, Noordeloos, Warmond, Lexmond en Noordwijk dat het zwarte dan wel rode dier met de kenmerkende witte kop met blaren rond de ogen, witte buik en witte staartpunt geknipt is voor het Groene Hart: dé koe die past bij de toekomst van het laagveenweidegebied met meer agrarische natuur. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), dat in opdracht van de Provincie Zuid-Holland begin 2009 een rapport uitbracht over de blaarkop, concludeert dat de blaarkop op alle onderzochte gebieden goed scoort. De blaarkop is 100 tot 150 jaar geleden vanuit Groningen naar het gebied rondom Leiden gebracht en daar bleek het de ideale koe voor tussen de steden te zijn! Juist in dit weidegebied floreert de blaarkop het best, als vlees- én als melkkoe. Het mooie is dat dat niet iets is van vroeger, maar ook voor de toekomst. En dat geeft toch een heel ander gevoel voor de boeren die blaarkoppen nog steeds hebben of ze juist weer krijgen. Het is goed nieuws voor hen dat blaarkoppen houden niet zomaar een hobby is, een cultuurhistorisch aardig iets, maar ook economisch kansrijk.
 
Uit het rapport van CLM blijkt dat de blaarkop veel minder in de watten hoeft te worden gelegd dan de koeien die doorgaans de weiden van het Groene Hart begrazen. Mooi dus voor boeren die wel graag koeien willen houden, maar er niet te veel gedoe mee willen hebben. De blaarkop kan tot ver in de herfst buiten lopen en dus langer weidemelk leveren, doet het prima op natte weiden en de weilanden hoeven voor haar niet met veel kunstmest opgefokte biljartlakens te zijn: ze houdt juist van natuurgraslanden. Blaarkoppen zijn veel vriendelijker dan Schotse Hooglanders en zullen dus geen argeloze boerenpadwandelaars afschrikken. De blaarkop is gezond en vruchtbaar. De melkproductie blijft weliswaar nog flink achter bij die van de Holstein-Friesians, maar daar staat tegenover dat ze tot op hoge leeftijd veel melk geeft. De veehouder moet met de blaarkop iets meer geduld hebben. Behalve een behoorlijke hoeveelheid melk levert de koe met de witte kop ook kwalitatief goed vlees. Zijn goede beenwerk en sterke klauwen maken hem uitermate geschikte voor de polder in het Groene Hart.
De Blaarkop uit het Groene Hart kan in de Ark van de Smaak worden opgenomen vanwege het vlees en vanwege de melk die gebruikt kan worden zowel voor de Traditionele Boeren Leidse kaas, Boeren Goudse oplegkaas als Leidse boter (die alle drie in de Ark van de Smaak opgenomen zijn).
 
Oorzaak verdwijnen: Holsteinisatie, waarbij de fokrichting ging in de richting van de Amerikaanse zwartbonte en roodbonte Holstein-Friesian en niet op het derde runderras in Nederland, de blaarkop.

Territory

StateNetherlands
Region

Groningen

Other info

Categories

Breeds and animal husbandry